In de wereld van het darts draait het allang niet meer alleen om pijlen en finishes. Achter de schermen, weg van het felle licht van het podium, laten spelers zich vaak van een heel andere kant zien. Dat blijkt ook uit een luchtig en humoristisch gesprek met
Joe Cullen, waarin hij samen met collegaās fantaseert over een geĆÆmproviseerd vijf-tegen-vijf voetbalteam ā uiteraard gevuld met bekende namen uit de dartswereld.
Aspinall in doel
Het gesprek begint speels, met een verwijzing naar Nathan Aspinall, die volgens de overlevering ooit als
doelman actief zou zijn geweest. Cullen reageert met een knipoog en lichte scepsis, maar geeft tegelijkertijd aan dat Aspinall dan maar meteen onder de lat mag plaatsnemen. In de dartswereld staat 'The Asp' bekend om zijn vechtlust en atletisch vermogen, eigenschappen die hem volgens Cullen ook op het voetbalveld van pas zouden komen.
Vervolgens komt het jonge fenomeen Luke Littler ter sprake. Cullen is duidelijk gecharmeerd van zijn kwaliteiten, al gaat het dit keer niet om triples en dubbels. Littler wordt omschreven als een speler met āeen goede touchā en bovendien linksbenig ā iets wat hem volgens de darter een zekere elegantie geeft op het veld. In het denkbeeldige team krijgt Littler dan ook een belangrijke rol toebedeeld: hij moet het spel verdelen en voor creativiteit zorgen op het middenveld.
Cullen zelf ziet voor zichzelf een plek in de voorhoede weggelegd, al doet hij daar met de nodige zelfspot luchtig over. āIk sta daar gewoon een beetje te wachten,ā lijkt de ondertoon, typerend voor de ontspannen sfeer van het gesprek. Het is precies deze humor die Cullen geliefd maakt bij fans: scherp aan de oche, maar altijd in voor een grap daarbuiten.
Ook Ross Smith krijgt een prominente rol in het team. Volgens Cullen is Smith de man die āaan de touwtjes trektā ā de spelmaker die het tempo bepaalt en zijn medespelers in stelling brengt. Geen verrassende keuze, gezien Smiths reputatie als gecontroleerde en technisch sterke darter.
Misschien wel het meest komische moment van het gesprek draait om Chris Dobey. Cullen maakt een onderscheid tussen de huidige Dobey en een oudere, zwaardere versie van de speler ā door hem gekscherend āde oude, dikke Dobeyā genoemd. Die versie van Dobey wordt resoluut in de verdediging gepositioneerd, met als argument dat mobiliteit niet zijn sterkste punt zou zijn. Het levert gelach op en onderstreept nog maar eens de kameraadschap binnen de dartswereld, waar spelers elkaar zonder pardon maar altijd met een knipoog op de hak nemen.
Chris Dobey is ƩƩn van de beste vrienden van Joe CUllen
Geen Clayton wegens rugbyblessure
Niet iedereen haalt overigens de selectie. Jonny Clayton wordt buiten beschouwing gelaten vanwege een vermeende rugbyblessure ā opnieuw een voorbeeld van de luchtige toon waarin feit en fictie moeiteloos door elkaar lopen.
Uiteindelijk ontstaat er een bont gezelschap: Aspinall op doel, Dobey in de verdediging, Smith als spelmaker, Littler op het middenveld en Cullen zelf in de aanval. Een team dat op papier misschien niet direct kampioenskandidaat is, maar wel garant staat voor entertainment ā iets wat deze spelers ook op het dartspodium keer op keer bewijzen.
Het gesprek eindigt met een knipoog naar de outfits die de spelers droegen tijdens een recent evenement in Sheldon. De meningen daarover blijken verdeeld, maar zelfs dat wordt met humor benaderd. En dat is misschien wel de rode draad: of het nu gaat om darts, voetbal of kledingkeuzes, de onderlinge sfeer blijft ontspannen en vol zelfspot.
Zo laat dit fragment zien dat topspelers als Cullen en zijn collegaās niet alleen uitblinken in hun sport, maar ook weten hoe ze plezier moeten maken. Juist die combinatie van professionaliteit en relativeringsvermogen maakt de dartswereld zo toegankelijk ā en zo geliefd bij een groeiend publiek.